Was Paulus tegen de Thora?
dinsdag, 09 november 2010 17:04
Geschreven door Redactie
Grondlegger van Centrum voor Joods-christelijke studies betoogt dat Paulus nooit afval van de Thora heeft gepredikt, maar juist de Joodse plicht om de Thora na te leven als vanzelfsprekend opvatte.
Door Dr. Pryor (Grondlegger en directeur van het Centrum for Joods-christelijke Studies)In ruime mate dankzij het werk van Joodse geleerden in Israël is de laatste tijd een portret van Jezus naar voren gekomen als Joodse wijze die de Thora naleefde en die overtuigd optrad binnen het gangbare Joodse denken tijdens de Tweede Tempelperiode. Hierbij putte hij uit overgeleverde tradities en concepten. Deze inzichten krijgen meer en meer ingang in de belangrijkste kerken.
Het zou fijn zijn als dit ook gezegd kon worden van de apostel Paulus. Een paar uitzonderingen daargelaten, kijken Joodse geleerden en rabbijnen negatief op hem neer: hij is een ‘bekeerling’ van Judaïsme naar christendom, die Israël en zijn Joodse erfenis overboord zette en zich tegen de Thora keerde.
Het is niet toevallig dat dit vertekende beeld van Paulus sinds de vierde eeuw door de Kerk naar voren werd geschoven. Gelukkig geven verschillende evangelische geleerden nu voor het eerst een serieuze herbeoordeling van de ‘protestant Paulus’. En dat is nodig. Paulus’ verhouding tot de Thora en het Jodendom zijn traditioneel verkeerd voorgesteld.
Als een toegewijde Farizeeër – zoals hij zichzelf aanmerkte – voelde Paulus een geloofsijver met betrekking tot de Thora en achtte hij zich "naar de gerechtigheid der wet onberispelijk" (Filippenzen 3:6). Zelfs na zijn ontmoeting met de levende Jezus, gaat hij ermee door zichzelf te identificeren als een Farizeeër (Handelingen 26:5). Hij maakte er werk van de feesten te vieren (Handelingen 20:16), en hij hield vol dat de Thora "geestelijk" is en het gebod "heilig, rechtvaardig en goed", en dat hij zich daarin "verlustigde". (Romeinen 7:12,14,22).
Wij zouden er niet van moeten opkijken dat Paulus verkeerd begrepen is en dat kwaad van hem gesproken werd door de eeuwen heen. Dat was al zo van af het begin. Zelfs Petrus maakte de opmerking dat "daarin (in de brieven van Paulus) een en ander moeilijk te verstaan is" (2 Petrus 3:16). Ook Jacobus zegt iets dergelijks.
In Handelingen 21:20 doet Jacobus in Jeruzalem verslag aan Paulus : "Gij ziet broeder, hoe vele duizenden er onder de Joden gelovig zijn geworden (in Jezus), en allen zijn zij ijveraars voor de wet", daarmee suggererend dat het naleven van de Thora normatief was voor Joodse gelovigen.
Zij hadden gehoord dat Paulus de Joden "afval van Mozes" leerde en het opgeven van de gebruiken van het Jodendom, waaronder de besnijdenis (Handelingen 21:21). Dat was niet waar. Daarom raadde Jacobus Paulus aan een paar dingen te doen om te bewijzen dat dit gerucht een valse aanklacht was en dat Paulus in werkelijkheid "meeging in de onderhouding van de wet" (Handelingen 21:24).
Paulus bewilligde in dat verzoek, niet vanwege compromis of dubbelhartigheid, maar omdat het waar was: als een volgeling van Jezus ging hij door in zijn roeping als Jood om de Thora en de gebruiken van zijn volk na te leven. Bij drie andere gelegenheden (Handelingen 24:14; 25:8; 28:17) legt hij getuigenis af van deze veelbetekenende maar vaak over het hoofd geziene waarheid over hemzelf.
Paulus’ levenswandel kwam overeen met wat hij "voorschrijft in alle gemeenten" (1 Corinthiërs 7:17-20): namelijk dat Joodse gelovigen "niet hun besnijdenis moeten laten verhelpen", en dat gelovigen uit de heidenen zich niet moeten laten besnijden. Hier is door Paulus meer bedoeld dan alleen de fysieke besnijdenis. Tijdens de Tweede Tempelperiode stond besnijdenis voor het geheel van Joodse identiteit en verplichtingen.
Met andere woorden: hij verlangde niet van heidengelovigen zich tot het Joodse naleven van de Thora te bekeren (besneden te worden), en evenmin hoefden Joodse gelovigen, evenals Paulus zelf, afstand te doen van hun Thoraverplichtingen. Ieder kon zich houden aan zijn eigen roeping (1 Corinthiërs 7:20).
Deze uitspraak van Paulus komt overeen met wat de apostelen en kerkleiders op de vergadering in Jeruzalem (Handelingen 15) hadden beslist: het mag gelovigen uit de heidenen niet bevolen worden zich te laten besnijden en zich te houden aan alle wetten van Mozes, dat wil zeggen: zij mogen niet behandeld worden als Joodse bekeerlingen (Handelingen 15:5; 28,29).
Het is eveneens van belang notitie te nemen van wat echter niet gezegd was tijdens die historische vergadering in Jeruzalem (zoals geleerden als Nanos en Wyschogrod hebben opgemerkt). Nooit werd tijdens de bespreking van het geschil de kwestie naar voren gebracht dat de aanwezige Joden de Thorageboden niet meer in acht zouden nemen, of daarvan ontslagen zouden zijn vanwege hun geloof in Jezus.
Het was een onbetwiste onderstelling dat Thora verplichtingen nog steeds op hun plaats waren voor iedereen, ook voor Paulus.
Toen Kerkvergaderingen in de opeenvolgende eeuwen formeel de Joodse gelovigen verboden nog langer als Joden te leven, en bij de doop van hen eisten dat zij elk ritueel en nakoming van de Joodse religie zouden afzweren, hebben zij effectief Paulus van Tarsus zijn lidmaatschap van de kerk ontnomen! Wij hebben sindsdien de gevolgen daarvan ondervonden.
Bron: Christenen voor Israel (CvI) |
www.christenenvoorisrael.nl